Welsprekendheid of Coprolalie*?

Over spreekdrempels en ijdele keuzes, vorm en inhoud. Tips voor kiezers en politici.

We kennen het begrip “kiesdrempel”. Maar voordat een politicus zich daar op kan richten moet eerst de kiezersdrempel worden gehaald. En om daarin te slagen moet je eerst de spreekdrempel passeren.

Illustraties: Paweł Kuczyński

De spreekdrempel is de kritieke grens voor het wel of niet verstaanbaar overbrengen van een boodschap. Eén en ander hangt hierbij af van de vorm die een politicus hanteert. Iedere spreker heeft mogelijkheden en beperkingen. Een binnensmonds sprekende politicus met een zwaar en onbekend dialect is moeilijk of niet te volgen. Ook spreekomstandigheden zijn bepalend: lawaai van morrend volk of muziek, een (te) grote ruimte of piepende microfoon bijvoorbeeld kunnen verhinderen dat een boodschap verstaanbaar bij de luisteraar landt.

Om de spreekdrempel te halen, moet de vorm in orde zijn.

Inhoud als uitgangspunt – de kiezersdrempel Het draait natuurlijk allemaal om de inhoud. Een politieke boodschap moet duidelijk zijn en tegelijkertijd voldoende ruimte aan nuance en nadere uitleg bieden. Begrijpelijkheid staat voorop; wie niet begrepen wordt komt alleen te staan. Als politicus let je op je woordkeuze; begrijpelijke taal is een eis. Verval echter niet in Jip-en-Janneke taal; publiek dat zich gekleineerd voelt haakt af. Wil je meer mensen betrekken, spreek dan in algemeen bekende termen. Een ruime woordenschat helpt daarbij. Jargon is alleen geschikt voor de kleine ‘incrowd’. Kies je woorden zorgvuldig en rangschik ze in overzichtelijke zinnen. Zorg voor een duidelijk onderwerp en bouw je verhaal goed op. Op die manier kun je in een later stadium makkelijker reageren op vragen via samenvatting, verwijzing, nieuwe formuleringen, extra uitleg, verklaringen en achtergronden. Je verhaal moet een duidelijk omlijnde inhoud bevatten die door de luisteraar is op te pakken. Als tenslotte de inhoud van de boodschap goed op de groep luisteraars is afgestemd kan ook de kiezersdrempel gehaald worden.

Inhoud en/of vorm? Politici kunnen dus onder de kiezersdrempel stranden door een gebrek aan inhoud. Toch is het nog maar de vraag of voor de inhoud even strenge normen gelden als voor de vorm. Spreken zou in feite niets anders moeten zijn dan een verbale vormgeving van de inhoud. De praktijk is vaak anders. De balans tussen vorm en inhoud is niet altijd even makkelijk te vinden en kan van de ene naar de andere kant doorslaan. Waar de ene politicus zich toelegt op het onthullen, naar voren brengen en toelichten van plannen is de andere er op uit zich daarover in de meest algemene bewoordingen uit te laten. Aan de kwestie in welke mate een politicus inhoud of vorm laat prevaleren wordt tegenwoordig veel aandacht besteed. Alleen al aan beschouwingen over de keuze voor inhoud of vorm gaat veel inhoud verloren. Worden kiezers benaderd met kennis, feiten en argumenten of met mooie praatjes, plaatjes en goede (of slechte) manieren? Het ongrijpbare element ligt besloten in het feit dat vorm voor een deel inhoudsbepalend is. Laten we daarom eens kijken waaruit de vorm eigenlijk bestaat…

“Vorm” nader bekeken (1) – Verstaanbaarheid Het spreekvolume is direct gerelateerd aan omstandigheden die aanwezigheid van de spreker vragen: Een slechthorende bejaarde op de markt, een roezemoezend publiek in een lawaaiige, grote ruimte en een vertrouwelijk gesprek in een rustig restaurant vragen om een flexibele instelling. Een spreker die boven de drempel uit wil komen moet beschikken over een ‘volumeknop’ die de omstandigheden compenseert. Een andere oplossing is te vinden in het gebruik van en de omgang met de juiste geluidsversterkende middelen (microfoon, megafoon). In de (uit)spraak van een spreker kan ook een beperkende factor schuilen: Lichte accenten (stadse of streekdialecten), een iets slissende [s] of licht gestotter zal aanvankelijk tot opmerkingen of zelfs hilariteit kunnen leiden. Dergelijk lichte afwijkingen in de vorm zullen een spreker niet direct aantasten in zijn verstaanbaarheid. De spreker wordt gehoord en verstaan. Gaan bovenstaande factoren te zwaar wegen (gebrek aan volume, zware spraakgebreken of onvervalste stad- of streekdialecten), dan leiden ze tot onverstaanbare spraak. Onverstaanbaarheid levert te veel vraagtekens op en leidt bij de luisteraar tot onbegrip, verongelijktheid en, uiteindelijk, desinteresse. De luisteraar haakt af – het heeft geen enkele zin om verder te luisteren. Verstaanbaarheid is het eerste en meest functionele criterium om boven de spreekdrempel te belanden. Onverstaanbare politici kunnen dus beter inpakken of zwijgen (of aan hun spraak gaan werken). Het Stemgebruik en de articulatie van politici moet gemiddeld tot voldoende zijn ontwikkeld om de spreekdrempel te halen.

Alle huidige fractieleiders (en de meeste politici) voldoen aan dit criterium. Als zij over de juiste inhoud beschikken, hoeven zij zich daarover dus geen zorgen te maken**.

“Vorm” nader bekeken (2) – Charisma en charme, karakter en “aansprekelijkheid” Nu de minimale spreekdrempel (verstaanbaarheid) is gehaald, kunnen we het over de vormgeving van de inhoud hebben. Want: zoals het oog wat wil hebben, de oren willen dat óók. Anders dan bij ‘verstaanbaarheid’, vergt deze vorm-eis veel meer van de vaardigheden van een spreker. Als een spreker zijn inhoud wil koppelen aan de vorm, moet hij beschikken over voldoende beweeglijkheid op het gebied van: Toon (melodie), Tempo (ritme), Stemkleuring / timbre (karakter) en Volume (dynamiek in de ruimte). Hoe brengt een politicus de boodschap? Vriendelijk en redelijk? Strijdbaar en krachtig? Klagerig of verwijtend? Hakketakkend of aalglad? Maakt dat de boodschap geloofwaardig of aantrekkelijk? Al deze spreekeffecten komen door bovengenoemde vorm-elementen tot stand. En als kiezers een bepaalde vorm als geloofwaardig of (on)aantrekkelijk beoordelen, dan zegt dat ook iets over deze kiezers als luisteraar. Persoonlijke voorkeur voor een spreker, de mate waarin de vorm door een luisteraar wordt gewaardeerd… De politicus die er in slaagt om op dit front de meeste luisteraars te behagen, trekt de meeste luisteraars over de kiezersdrempel.

Bevlogen politici gebruiken deze vormfactor om “congruent” te zijn: hun persoonlijke beweegredenen en overtuigingen vallen samen met het karakter waarmee zij hun spraak vormgeven. Lukt dat, dan vliegen termen als ‘inspirerend, charismatisch en indrukwekkend” hen om de oren. Lukt dat niet, dan vallen typeringen als “afstandelijk, kil, nietszeggend, zeurderig, arrogant, geacteerd, gemaakt of overdreven” de spreker ten deel. Een politicus kan ook doorslaan met een knieval naar de vorm : om populair over te komen en publiek aan zich te binden. De vorm wordt belangrijker dan de inhoud. Daarmee hoeft de link naar de innerlijke drijfveren of motivatie niet verloren te gaan. Wel ontstaat het gevaar dat de relatie met de inhoud meer en meer wordt verbroken. Door een verhaal bijvoorbeeld niet (meer) op feiten te baseren. Of door niet-representatieve voorbeelden aan te dragen. Door kiezers naar de mond te praten, standpunten makkelijk te wisselen. Er komen niet zelden valse beloften of leugens aan te pas; de politicus doet zich beter voor dan hij of zij is. Het geluid van een dergelijke spreker refereert niet meer aan mogelijk aanwezige kennis bij de luisteraar maar probeert alleen maar aan te sluiten bij het geluid van de potentiële kiezer om draagvlak en “resonantie” te verkrijgen. Het hanteren van deze vorm kan leiden tot ijdele keuzes; het feit dat een potentiële kiezer zich voelt aangesproken is op dat moment belangrijker voor de spreker. Het doel heiligt de middelen; de vorm sluit aan bij de intentie van de politicus. Deze bereikt hierdoor zijn doel: de kiezersdrempel overschrijden.

Kiezen of delen – Pro forma en contra forma Een welsprekend politicus kan zijn ideeën onderstrepen en in debatten zijn tegenstanders verslaan door de vorm adequaat te hanteren.

Echter: een politicus die zich verliest in welsprekendheid kan de schijn tegen zich krijgen: “te gladjes, de waarheid verhullend, hypocriet, alles mooier maken dan het is, het klinkt zo gemakkelijk als jij het zegt, jij kan zelfs poep verkopen of het goud is…” Ook al is de inhoud krachtig en helder, de geloofwaardigheid daalt, deze is “te mooi om waar te zijn”.

Een gebrek aan vorm hoeft daarentegen niet erg te zijn. Kiezers hebben wel aanmerkingen (“wat een boers accent, wat een botterik, wat een afschuwelijke stem”) maar kunnen duidelijk gemarkeerde inhoud en concrete argumenten en motivatie wel op waarde schatten.

Het is natuurlijk het mooist als de kiezer over de drempel wordt geholpen op grond van een evenwichtige verdeling van vorm en inhoud. Vóór u kiest is het daarom misschien redelijk om u af te vragen waar de beweegredenen voor uw keuze hun oorsprong vinden. Bent u overtuigd, overrompeld, ingepakt of afgeschrikt? Bent u van mening veranderd of gemanipuleerd? Kiest u voor de inhoud of voor de vorm – of voor een prettige mix?

Sterkte met uw stem!

*) Poep praten, “talking shit”

**) Aan het halen van de spreekdrempel kunnen geen rechten worden ontleend. Het halen van de spreekdrempel staat garant voor het halen van de kiezersdrempel, maar garandeert in geen enkel opzicht het behalen van de kiesdrempel.

Illustraties: Paweł Kuczyński Illustraties: Paweł Kuczyński

Meer van zijn werk – ga naar http://www.pictorem.com/profile/Pawel.Kuczynski

Advertenties

Van Grafstemming naar Afstemming

RIP StemDe laatste jaren zie je het steeds vaker: stem en spraak van acteurs op het toneel worden electronisch versterkt. Meestal met behulp van zendermicrofoons.

Ik ben daar op tegen. En echt niet omdat ik het zo’n vreselijk gezicht vind: die kleine hengeltjes langs de kaaklijn, die extra opsmuk in de vorm van een ‘pareltje’ op het voorhoofd. De foeilelijke ‘huidskleurneutrale’ pleisters in de hals, op de wang of het voorhoofd. Afleiden doet het wel, ja: “Gesneden bij het scheren? Handicap? Security?”

To be or not to be

Wat me echter wezenlijk stoort is het gemis aan “echt geluid”. Echte beleving.

Ik vind het altijd spannend om naar het theater te gaan: met levende acteurs die mij levend toespreken. Persoonlijk en direct. De dingen in het theater gebeuren écht. Ik kan van tevoren nooit voorspellen hóe echt, maar het voelt aan als een belevenis. Als ik dat té eng vind, ga ik zo ver mogelijk achter in de zaal zitten, om wat afstand te creëren. Of juist wat dichterbij, als ik meer risico wil lopen.

Hoorspel

Tegenwoordig zorgt geluidsversterking voor dat afstandelijke effect – of ik het nu wil of niet. Het versterkte geluid komt tussen de acteurs onderling en tussen de acteurs en mij in te staan. De teksten van de spelers komen uit de richting van een geluidsbox of, in het gunstigste geval van “goed uitgevoerde techniek”: uit het midden van het toneel. Het geluid komt in ieder geval niet meer bij de speler vandaan. Als ik mijn ogen sluit, bevind ik mij in een hoorspel.

Desoriëntatie

Daar blijft het niet bij. Meestal bewégen acteurs zich over het toneel. Electronisch versterkt geluid beweegt echter niet mee… het blijft uit dezelfde richting komen. Voor iemand als ik, die gewend is ‘op zijn oren af te gaan’ is dat verwarrend. Ik zie iets anders dan wat ik hoor. Een speler loopt van rechts naar links. Ik geloof mijn ogen niet: de speler beweegt, maar mijn oren vertellen me dat de acteur niet van plaats is veranderd. Ik raak gedesoriënteerd.

Vervreemding

Als er een acteur verborgen is in bed of achter een kastdeur, pilaar of bankstel kan ik onmogelijk vaststellen waar deze persoon zich bevindt. Dat ik niet kan horen waar iemand is of waar iemand vandaan komt (bewegingsgeschiedenis of -verhaal) heeft een vervreemdend effect op me. Ik hoor iemand spreken, in het midden of uit een box, maar moet links, rechts, boven, achter me kijken waar hij of zij zich bevindt… Opeens zwaait er een been boven een leuning uit. Ah. Dáár dus.

Beste professionele, vakkundige, getalenteerde, jonge, ervaren acteur

Hoe is het voor je om je prachtige en kundige stem te moeten inbinden, om ‘gebalanceerd’ over te moeten komen via de microfoon? Hoe is het om rekening te moeten houden met je manier van bewegen, om geen storende contactgeluiden te veroorzaken? En wat vind je ervan dat je niet meer kan afstemmen met je publiek, niet meer zelf kunt bepalen hoe krachtig of indringend je over wilt komen bij het publiek, niet meer met de ruimte in het theater kunt spelen? Zou je je regisseur willen vertellen dat je je vakmanschap niet inlevert voor een microfoon?

Hooggeëerd publiek

Wilt u naar een enorm breedbeeldscherm kijken waarop poppetjes hun bewegingen precies laten passen bij het geluid dat uit de boxen komt? Wenst u wellicht ook nog te kunnen zappen, terug- of vooruitspoelen, pauzeren en/of opnemen? Of wilt u gegrepen worden, iets beleven, gechoqueerd of geëmotioneerd het theater verlaten? Laat het weten en houdt het theater op haar beurt een spiegel voor.

Voorkeuze

Ik selecteer vanaf nu vooraf bij welke voorstellingen de spelers persoonlijk met mij wensen te communiceren en bij welke zij kiezen voor bemiddeling via microfoons. Alleen de eerste vorm van theater kan nog op mijn bezoek rekenen. Ik zoek de confrontatie met acteurs die onversterkt met adem, stem, spraak en beweging werken aan de vormgeving van hun rol en daarmee een sterke aanwezigheid op het toneel. Levend theater, dus.

Evolutie

Wellicht moeten we eerst nog een fase gaan meemaken waarin het ‘unplugged’ acteren opeens als “bon-ton” ervaren gaat worden voordat de excellerende “homo vocalis” weer opnieuw erkend en ingezet gaat worden in de Nederlandse theaters.

Het is niet te hopen dat voor die tijd deze kunst definitief ten grave wordt gedragen, en daarmee de kennis om tot deze kunst te komen – daarvoor ligt zij mij te na aan het hart.